Haal het maximale uit uw Wayfarer

Michael McNamara vertelt over de beginselen van de boot en hoe u meer snelheid uit uw boot kunt persen.

Ontworpen in 1957, kwam Ian Proctors Wayfarer precies op het juiste moment, juist voor de explosieve groei van het jol zeilen die plaatsvond in de jaren daarna. Het duurde niet lang tot er met Wayfarers gezeild werd, niet alleen in het Verenigd Koninkrijk maar ook in Noord Europa en Noord Amerika. De klasse vond al snel drie taken toen ze al snel onderdeel werd van het zeil establishment. Deze taken heeft de Wayfarer behouden tot de dag van vandaag:

  • Zeil scholen kozen de klasse als hun belangrijkste les boot. Het is waarschijnlijk dat meer mensen zeilen hebben geleerd in Wayfarers dan in alle andere klassen samen. Dit was goed voor de groei van de klasse omdat vele van deze leerlingen hun eigen Wayfarer kochten.
  • De klasse werd al snel favoriet als tour boot en velen volgden pioniers zoals Frank Dye in lange afstandstochten langs de kust en over open zee. Tegenwoordig zijn er elk jaar georganiseerde tour tochten door heel het Koninkrijk en daarbuiten en verscheidene Noordzee oversteken tijdens de zomer maanden. Natuurlijk hoeven tourtochten niet zulke epische proporties te hebben; ontelbare families ondernemen hun eigen ontdekkingsreizen naar hun favoriete picknick plaats, vaak onder gereefd zeil of met behulp van een buitenboord motor!
  • Ten derde, werd er met de Wayfarer altijd enthousiast wedstrijd gevaren en het is daar waar de veelzijdigheid van het ontwerp het best aan het licht komt. Succesvolle bemanningen in recente evenementen varieerden tussen de 130 en 185 kilo, maar om eerlijk te zijn hebben deze uitersten het nogal moeilijk hadden bij erg licht en erg zwaar weer. Tijdens het vorige seizoen waren er maar liefst 65 deelnemers op het nationale kampioenschap en dit jaar worden er zo’n honderd boten verwacht tijdens de wereld kampioenschappen die dit jaar in Noord Ierland gehouden worden.

Omdat de klasse al zo lang bestaat, zijn de ‘snelle’ instellingen tamelijk goed bekend en ongeacht of een boot van hout of polyester is gemaakt is het heel goed mogelijk om er meer snelheid uit te halen. De instellingen concentreren zich op: 1) de zware en relatief vlakke maar stabiele romp met zijn ruime open kuip en grote breedte. 2) Het schuin naar achteren geplaatste zwaard en het smalle, tamelijk ouderwetse roer. 3) Het grote zeiloppervlak met het ‘low aspect’ grootzeil, de overlappende genua en een van de grootste spinakkers van alle wedstrijd jollen.

Op zoek naar de limieten van de boot

Wayfarer wedstrijden zijn over het algemeen tactisch en de boten liggen dicht bij elkaar. Boot snelheden zijn zo gelijk dat voorsprongen in meters worden aangegeven. Toch heeft het zin om deze voorsprongen te krijgen.

Met haar zware romp en het bijbehorende grote natte oppervlak, is de belangrijkste overweging de boot in beweging te krijgen maar vooral om ze in beweging te houden. Dit is nog belangrijker in licht weer, zelfs ten koste van de vaarrichting. Alles dat de beweging in de weg staat moet meedogenloos vermeden worden. De boot moet rechtop gevaren worden dus let op de kleine verklikkende kolkjes aan de lijwaartse hoek van de spiegel – als ze zichtbaar zijn vaart de boot niet zo rechtop als zou moeten.

Het is interessant om te zien dat veel van de problemen voorkomen kunnen worden als de stuurman aan lij zit. Dus, controleer het van tijd tot tijd door de helmstok los te laten. Als de helmstok van de middellijn af beweegt vaart de boot niet rechtop. Verplaats dan de bemanning net zo lang totdat de helmstok op de middellijn blijft staan.

De positie van de bemanning, naar voor of naar achter, heeft ook invloed. Veel bemanningen zitten te ver naar voren, strak tegen het want. Maar, tegen de tijd dat de bemanning op het zijdek moet gaan zitten, moeten ze ook naar achteren tot ze, in sterke wind, zelfs allebei achter het dwarsbankje zitten. Helaas is het profiel van het zijdek niet ideaal, het buitenhangen is tamelijk oncomfortabel. De angst om scheef te gaan (en dus langzamer te varen) is gewoonlijk voldoende om de bemanning aan te sporen dat maar voor lief te nemen.

Een gebied waar de coördinatie tussen stuurman en fokkenist behoorlijk wat oplevert is bij het overstag gaan. De Wayfarer is een heel lekkere boot voor een ‘roll tack’. Ze rijst heel mooi uit het water op haar lijwaartse bilge en maakt het mogelijk dat de bemanning gelijktijdig oversteekt. De fokkenist past zijn/haar beweging aan de stuurman aan en kijkt naar achteren tijdens de manoeuvre.

De voorkant van het zwaard moet zo verticaal mogelijk staan, voor zover de klassenregels dat toelaten. Deze schrijven voor dat de voorkant een hoek van niet meer dan 83 graden mag maken met de kielbalk. Er moet aan de punt ook zo weinig mogelijk zijwaartse speling op zitten. Dat betekend dat de zwaardkast en / of het zwaard van vulstukken voorzien moet worden om een strakke passing te krijgen als er speling in zit.

Er is een keuze tussen twee roer vormen. Het originele brede ontwerp geeft het meeste gevoel omdat het ondieper is dan het meer recente rechthoekige profiel en dus worden vergissingen in trim en zeil voering onmiddellijk doorgeseind naar de stuurman. Het nieuwe roer is groter en daarom beter in een bries, de voorkant van beide versies moet verticaal staan.

Gids voor het instellen van uw tuig

Benodigd gereedschap:

  • Lange rolmaat (10 meter)
  • Want spanningsmeter
  • Gegevens blad

    Boot uitrusting:

  • Instelbare zalingen
  • Aluminium mast
  • Instelbare mastvoet
  • Highfield hefboom of ander beslag om spanning op het want te zetten

    De instellingen stap voor stap

    1. Stel de lengte en de hoek van de zalingen in met de mast horizontaal op de vloer met behulp van de gegevens uit de tabel. Overtuig u ervan dat beide zalingen onder exact dezelfde hoek staan.
    2. Zet de mast op de boot met de wanten in positie en de mastvoet strak tegen de pin in de mastsleuf, maar steek de mastbout nog niet in het gat.
    3. Hijs nu de fok en zet de val door zodat de vereiste wantspanning van 150 kg wordt verkregen, Controleer dit met de wantspanningsmeter. Controleer nu eerst de helling van de mast. Hijs daarvoor de rolmaat met de grootzeilval omhoog totdat de bovenkant van de zwarte band bij het lummelbeslag samenvalt met het 5.867 mm streepje. Zet de grootzeilval vast op dit punt. Breng nu de rolmaat naar de achterkant van de boot en lees de maat af aan de onderkant van de grootschoot overloop (of onder een lat die op de plaats van een overloop wordt gehouden), boven de helmstok.
    4. Als de maat klopt ga dan verder met stap vijf. Zo niet, en er is te veel helling maak dan de wanten langer met behulp van stelplaten of spanners Stelplaten verdienen de voorkeur. Het is al enkele keren voorgekomen dat spanners breken met als gevolg een gebroken mast). Als er te weinig helling is worden de wanten korter gemaakt. Merk op dat de spanning steeds van het want moet worden gehaald om de instelling te veranderen. Een veel gebruikte stelplaat is de Holt-Allen HA4272. Door de pinnetjes een gat te verplaatsen verandert de mast helling met ongeveer 25 mm).
    5. Nu komt het spannende deel, past de mastpen nog door het mastgat zonder de randen van het gat te raken? Als dat het geval is ga dan verder met stap zes. Zo niet beantwoord dan de volgende vraag: Als de mast pen door het mastgat wordt geschoven, klemt ze dan aan de voorkant of aan de achterkant? Als het antwoord is: Aan de achterkant, verplaats dan de pin in de mastvoet rail naar achteren. Als de mastpen aan de voorkant klemt verplaats de pin in de mastrail dan naar voren.
    6. Het laatste dat we controleren is de mastkromming. Trek daarvoor de grootzeil val strak tegen de mast bij het lummelbeslag en meet de afstand tussen de val en de achterkant van de mast ter hoogte van de zalingen. Als er te weinig kromming is moeten de zalingen meer naar achteren geplaatst worden, is er te veel kromming moeten de zalingen naar voren verplaatst worden.
    7. Nadat de zalingen verplaatst zijn, herhaal dan alle metingen vanaf stap twee.
    8. Stel nu de fok lei-ogen zoals aangegeven in de tabel.

    Het want in actie

    We hebben nu veel zorg besteed om er voor te zorgen dat de mast goed staat, met de juiste helling en kromming. Als er teveel kromming is zullen we vermogen verliezen. Als er te weinig kromming is, is de boot slecht in bedwang te houden bij vlagerig weer.

    Kromming is noodzakelijk om twee redenen. De eerste is dat het de verticale stijfheid van het ‘E’ profiel van de mast compenseert en het zo gemakkelijker wordt het grootzeil te trimmen door gebruik te maken van de mast trim mechanismen. Door ervoor te zorgen dat de mast op een gecontroleerde manier buigt, kan het grootzeil voortdurend vlakker gemaakt worden om zo, in combinatie met het gewicht van de bemanning, de juiste hoeveelheid, beheersbaar vermogen te leveren voor optimale zeilprestaties onder wissellende wind condities.

    Ten tweede, door de voorkant van het grootzeil vlakker te maken op een voor-de-windse of ruime koers, als de lucht stroming omgekeerd over het zeilplan stroomt, zal de mast kromming er voor zorgen dat de lucht goed naar voren kan ontsnappen. Om gebruik te maken van deze versnelde luchtstroom moet de spinnaker zo ver mogelijk naar loef gevoerd worden als mogelijk. Dus vergeet niet de mastkromming te controleren voordat u van wal steekt. De beste manier om dit te doen is door de mast zo hoog mogelijk vast te pakken en stevig naar voren te duwen. De mastvoet zal dan naar achteren gaan totdat ze tegen de pin in de mastrail staat. Vaak is dit ook hoorbaar. Als de mast op zijn plaats springt is duidelijk een “Ping” hoorbaar).

    Op dek niveau staan de klassenregels uitsluitend plaatjes toe om de mast naar voren of achteren te buigen. Nadat op het dek een markering is aangebracht aan de voorkant van de gekromde mast, wordt de overgebleven ruimte opgevuld met een of meerdere plaatjes van 5 tot 6 mm dikte. Let op dat de mast niet naar achteren geduwd wordt omdat dat dit het grootzeil voller maakt en al onze kromminginspanningen ruĂŻneert. Sinds 1 april 2003 is een mastdrukker wel toegestaan)

    De mast is nu zo stijf als mogelijk en het grootzeil zal het maximale vermogen kunnen leveren. Deze instelling maakt het mogelijk dat de bemanning een maximale prestatie levert. Zodra ze het vermogen niet meer in de hand kunnen houden zullen de plaatjes veranderd moeten worden.

    Als de wind afneemt en de bemanning zich naar binnen verplaatst, zullen er plaatjes verwijderd moeten worden om de mast naar voren te laten bewegen (zonder neerhouder belasting) om het grootzeil vlakker te maken en het achterlijk te openen. Dit betekent dat er een spleet van 5 tot 10 mm ontstaat, afhankelijk van de windsterkte. Hoe minder wind, hoe groter de spleet. Als de wind toeneemt en het vermogen van het grootzeil moet worden verminderd, moeten er eveneens plaatjes worden verwijderd om zo het grootzeil wind te laten lozen.

    Het doel is om er voor te zorgen dat het grootzeil geopend wordt door wind vlagen zodat de boot op zijn pootjes blijft zonder dat ze gaat zwiepen. Dit betekend dat de plaatjes verwijderd worden totdat, in maximale loos condities, er een spleet ontstaat van 10 tot 15 mm. De neerhouder zal even later de mast voldoende gaan buigen zodat de spleet weer opgevuld wordt. Er is natuurlijk een punt aan beide uitersten waar, als de spleet te groot is, de mast een te grote buiging zal krijgen en feitelijk de wanten zal ontspannen omdat hun bevestigingspunten omlaag komen. Houd daarom het lij want in het oog. Als het want juist zichtbaar los staat is het nog in orde, maar als het echt los is, dan buigt de mast te ver zijwaarts waardoor er minder hoog gestuurd kan worden omdat het genua voorlijk uitzakt en het achterlijk van het grootzeil zich te ver opent.

    Het is interessant om te zien dat de boot het prettig vind dat het want meegeeft op aan de windse koersen in een stevig zeetje. Misschien dat de schok die ontstaat als een zware boot door een golf probeert de dringen, de wind van het zeil af haalt waarna het even duurt voordat de wind weer terug keert naar het zeil. Onder die condities is een spleet op dek niveau van 10mm aan te bevelen. De mast kan dan als een veer werken, en deze schokken van het zeil halen als ze buigt.

    Zodra de mast trim is ingesteld, moet de luchtstroom over het zeil georganiseerd worden, zodanig dat de lucht kan bewegen vanaf het voorlijk van de genua tot aan het achterlijk van het grootzeil met zo min mogelijk verstoring. Dit betekend dat de hoek die de voorkant van de genua maakt ten opzichte van de wind constant moet zijn over zijn hele hoogte. De drie setjes tell tales moeten daarom op hetzelfde moment omklappen. Als de bovenste eerder omklapt dan de anderen moet het achterlijk van de genua aangetrokken worden. Als de onderste eerst omklapt moet het achterlijk losser worden gemaakt. We doen dit door het verplaatsen van het lei oog.

    Om de lucht door de spleet tussen de genua en het grootzeil zo door te laten dat er een minimale terugslag op het grootzeil plaatsvindt, moet het midden van het achterlijk parallel staan aan de middenlijn van de boot. Dat betekend dat het achterlijk wijst naar de binnenkant van het zijdek bij de spiegel. Dit is voornamelijk de verantwoordelijkheid van de fokkenist die een veel beter zicht heeft als ze aan lij zit bij licht weer.

    Een veel voorkomende vergissing is de genua te ver door te halen. Dit sluit niet alleen de spleet tussen de genua en het grootzeil maar de luchtstroom aan lij laat ook los (overtrekken). De schoot ongeveer 25 mm losser laten heeft vaak een dramatisch effect, het zorgt ervoor dat de top van de genua niet inklapt en zorgt onmiddellijk voor meer snelheid.

    Het ‘low aspect’ grootzeil, dat een achterlijk tot onderlijk verhouding heeft van minder dan 2:1 kan gemakkelijk overtrokken raken. Daarom is het motto: Bij twijfel, los de schoot. Het achterlijk staat goed als er een terugslag ontstaat over de hele lengte op hetzelfde moment. Als het paneel met het embleem als eerste terugslag vertoond moet het achterlijk aangetrokken worden. Als het voorlijk onder zalinghoogte als eerste terugslag vertoond moet het achterlijk losser gemaakt worden. Dit is uiteraard het werk van de neerhouder, het grootschoot dient uitsluitend om de zijwaartse positie van de giek te bepalen.

    De trend van de laatste jaren is om de giek helemaal naar binnen te halen tot boven de middellijn. Het is vrijwel onmogelijk dit te doen met een conventionele overloop op een rail en daarom zijn er diverse systemen bedacht met stroppen. Het meest simpele systeem is een eenvoudige touw driehoek met een blok voor de 2:1 overbrenging in de top. De hoogte van dit blok boven de spiegel is kritisch. De ideale hoogte wordt gevonden door het blok over de spiegel te hangen en dan de teugel einden zo vast te maken dat het blok precies even laag is als de onderkant van de kiel.

    Hoewel het lastig is een Wayfarer goed aan de wind te zeilen, is het misschien op een ruime koers in een stijve bries met een spinakker dat de verschillen in bootsnelheid pas goed aan het licht komen. Plaats, om te voorkomen dat er gezeild moet worden met de boom onder een steile hoek, een extra oog aan mast 200 mm. Boven het standaard oog. Dit heeft bovendien het effect dat de het voorlijk van het zeil verder van de genua af staat. Voorkom in elk geval de spinakker schoot te ver door te halen omdat dit het achterlijk strak trekt en de spleet tussen de spinakker en het grootzeil te ver sluit. Weer geld het motto: los de schoot, los de schoot en nogmaals los de schoot, zelfs tot het moment dat het voorste lijk opvouwt gedurende een groot deel van de tijd.

    Michael MacNamara ©2001
    (Vertaald en gepubliceerd met toestemming van Michael McNamara)

    Wayfarer want instellingen

    Grootzeil instellingen
    Mast helling Rolmaat hijsen met de grootzeilval tot het 5.867 mm streepje samenvalt met de bovenkant van de onderste zwarte band bij het lummelbeslag.
    Van de bovenste zwarte band tot de onderkant van de grootschoot overloop rail boven de helmstok:
    7.135mm-
    7.190mm
    Zaling lengte Meten van buitenkant mast tot aan het want : 508mm
    Zaling breedte Meten van want tot want: 965mm
    Zaling hoek Van de zeil groef onder een rechte hoek naar de verbindingslijn van de wanten: 203mm
    Komming Van de zeil groef ter hoogte van de zalingen tot aan de grootzeil val die gespannen is tussen de mattop en de zeilgroef bij het lummelbeslag, met het want gespannen: 25mm (min)
    38mm (max)
    Want spanning Licht weer:
    Middelmatige wind:
    Harde wind :
    135 kg
    150 kg
    160 kg
    Genua instellingen
    Midden van de lei oog rail Loopvlak van lei oog tot buitenkant spiegel: 2.375mm
    Midden van de
    lei oog rail
    Tot middellijn (NB rail parallel aan het bankje): 530mm
    Een goed lei oog systeem is HA 4274 of RWO 2500 (lei ogen) met RWO 2700 rails en RWO
    2770 eindstoppen. De rail wordt met bouten en moeren aan het bankje vastgemaakt.
    Lengte van de rail 300mm
    Positie van het lei oog t.o.v. de
    spiegel
    Licht weer:
    Middelmatige wind:
    Harde wind:
    2,400mm
    2,380mm
    2,350mm
    Markeer de genua schoot nabij het lei oog, zorg ervoor dat de markering gelijk is aan beide kanten
    en bij twijfel – de schoot losser.

    De mast helling wordt gemeten vanaf de bovenste zwarte band, vermoedelijk omdat deze band een referentie is voor een aantal andere metingen (zie klassenregels). Een alternatieve meting kan uitgevoerd worden met een meetlint van slechts twee meter:

    Bevestig het lint aan de grootzeilval als beschreven maar hijs het slechts tot dat het begin van het meetlint samenvalt met de bovenkant van de onderste zwarte band. Meet dan de helling als beschreven onder de grootschoot overloop. In dit geval ligt de ideale maat tussen 1,268 en 1,323 mm.

    De bovenkant van de onderste zwarte band behoort volgens de klassenregels samen te vallen met de bovenkant van de giek.

    De tekst hier boven is een vertaling van een artikel in Yachts & Yachting geschreven door Michael McNamara in 2001. Hoewel de bron van de “magische” cijfers niet meer te achterhalen is blijken diverse bekende Wayfarer zeilers zoals Michael MacNamara, Ian Porter en Al Schönborn dezelfde cijfers te hanteren. Er is gekozen voor het artikel van Michael MacNamara omdat hierin niet alleen de cijfers worden gegeven maar het ook het waarom, en wat de effecten zijn van de instellingen. De originele tekst is te vinden op de website van Yachts en Yachting. De instellingen zijn een goed gemiddelde, men zal zelf in de praktijk deze instellingen moeten aanpassen aan de specifieke boot. Bij boten met oude zeilen, oude of kromme masten zullen ongetwijfeld enigszins andere instelling vragen dan hier door Michael wordt voorgesteld. De gele blokjes zijn aanvullende opmerkingen door de redactie en alle maten zijn omgerekend naar het metrische stelsel.

    Â