Klik hier om de klasseregels te downloaden in PDF-formaat (bijvoorbeeld om af te drukken)

Geldig vanaf april 2005

In de regels worden de volgende afkortingen als bekend verondersteld:

GRP Glasvezel versterkte Polyesther (Eng: Glass fibre Reinforced Polyester)
ISAF Internationale zeil federatie (Eng: International Sailing Federation)
KNWV Koninklijk Nederlands Waterport Verbond (Door ISAF erkende Nederlandse nationale zeil autoriteit)
MK Uitvoeringstype (Eng: Mark)
NCA Nationale Wayfarer Klasse Associatie (Eng.: National Class Association) Zoals:
NEDWA, UKWA, CWA, SWS, USWA, enz.
NEDWA Nederlandse Wayfarer Associatie
SD Zelf lozend (Eng: Self Draining)
WIC Internationaal comité van NCA afgevaardigden (Eng.: Wayfarer International Committee)

Deze tekst is een vertaling van de "Wayfarer International class Rules, April 2005" zoals gepubliceerd door het "Wayfarer International Committee" (WIC). Deze vertaling is uitsluitend bedoelt om het de leden van de Nederlandse Wayfarer Associatie (NEDWA) gemakkelijker te maken. Bij het toepassen van de regels, zoals bij metingen en bij geschillen, zal uitsluitend de meest recente Engelse versie, uitgegeven door het WIC gebruikt worden.

Alle lengte eenheden in milimeters (Imperial tussen haakjes)
Alle gewichtseenheden in kilogrammen (Engelse Pounds tussen haakjes)
Alle volume eenheden in liters (Engelse Gallons tussen haakjes)

Inhoud

SECTIE I - INTENTIE EN INTERPRETATIE
SECTIE II - BESCHERMING VAN HET EENHEIDSONTWERP EN METING
2. Voorwaarden voor de bouw en constructie 3. Registratie
4. Certificaat 5 Meetprocedure
5.6 Naleven van de regels 5.11 Hermeting
SECTIE III - UITVOEREN VAN DE METINGEN
6. Terminologie 7. Interpretatie van het eenheidsontwerp
8-10. Romp en configuratie 11. Kiel
12. Kimkielen 13. Zijdekstructuur
14. Zwaardkast 15. Openingen in de huid
16. Projecties buiten de huid 17. Zwaard
18. Roerblad 19. Dekken
20. Openingen in dekken en schotten 21. Luiken
22. Banken 23. Buikdenning
24. Want puttings 25. Romp gewicht
26. Mast 27. Giek
28. Spinnaker boom, Asymmetrische boom en fokkenloet 29. Tuigage
30. Zeil constructie en markeringen 31. Grootzeil
32. Fok 33. Spinnaker
SECTIE IV - ALGEMEEN
34. Drijfvermogen 35. Speciale verboden
36, 38. Klasse nummer en klasse signaal 37. Bemanning
APPENDIX: DISPENSATIES GEREGISTREERD DOOR HET WIC

 

Sectie I

Intentie en interpretatie

1.1 Het is de intentie van de klassenregels te garanderen dat eerlijke wedstrijden binnen de klasse kunnen plaatsvinden op basis van gelijkwaardigheid, en tegelijkertijd de karakteristieken van de boot zoals constructie sterkte, bedieningsgemak, geschiktheid voor dag tochten met een gezin, tegen beperkte kosten, gehandhaafd blijven.
1.2 De officiële taal van de klasse is Engels, in geval van een geschil over de interpretatie zal de Engelse tekst gebruikt worden.
1.3 Deze regels zijn een aanvulling op het officiële bestek en tekeningen. Eventuele onduidelijkheden worden uitsluitend door de betreffende Nationale Wayfarer klasse associatie (NCA) geïnterpreteerd. De NCA informeert vervolgens het Wayfarer International Comité (WIC) hier over.
1.4 De statuten van het WIC bevatten procedures voor het wijzigen van de klassenregels.
1.5 Noch de leden van het WIC, noch de leden van een NCA, noch de ontwerper van de Wayfarer, noch de huidige auteursrecht houder van het Wayfarer ontwerp kunnen aansprakelijk worden gesteld voor enig letsel, verlies of schade, ongeacht de oorzaak, ten gevolgen van het toepassen van het officiële bestek, tekeningen of de klassenregels (alsmede het verlenen van vrijstellingen daarvan).

Sectie II

Bescherming van het eenheidsontwerp en meting

2

Voorwaarden voor de bouw en constructie

2.1 Uitsluitend professionele werven, onder licentie van de auteursrecht houder van het Wayfarer ontwerp, mogen bouwpakketten of complete Wayfarer jollen produceren. Een lijst van gelicentieerde bedrijven is beschikbaar bij de NCA’s. Amateur bouwers mogen alleen boten bouwen op basis van een bouwpakket of een romp afwerken.
2.2 Licentiehouders zijn door de licentie verplicht boten of bouwpakketten te produceren die voldoen aan het officiële bestek en tekeningen, zoals verstrekt door de auteursrecht houder aan de licentiehouder, het WIC en de NCA’s, en met deze regels.
2.3 Rompen van, en andere voorgevormde delen of componenten van glasvezel versterkte kunststof (GRP) zullen uitsluitend worden gemaakt met officiële mallen. Deze mallen zijn geregistreerd door de auteursrecht houder als afgeleide van de moeder mal. Een NCA heeft het recht deze mallen te meten.
2.4 Bouwpakketten zullen uitsluitend samengesteld worden uit de componenten die geleverd zijn door een licentiehouder en in overeenstemming met de officiële bouwtekeningen. Houten rompen mogen uitsluitend worden gebouwd met behulp van geregistreerde hulpspanten die in bruikleen zullen worden gegeven als deel van een bouwpakket. Het gebruik van andere hulpspanten, componenten of materialen is niet toegestaan. De volgende houten onderdelen zijn uitgezonderd van deze regel: Zwaard, roerblad, roerkoning, mast en giek, deze moeten echter wel voldoen aan de regels 17, 18, 26 en 27.
2.5 Afwijkingen van het officiële bestek en tekeningen is niet toegestaan met uitzondering van het volgende:
  1. Lopend want
  2. Helmstok en joystick
  3. Beslag
  4. Verstevigingen voor het beslag
  5. Dubbelingen, contraplaten en verstevigingen noodzakelijk voor reparaties
  6. Normale bouwtoleranties die niet specifiek genoemd worden in de meetaanwijzingen in deel III van deze regels.
  7. Verlichting of wijziging van deze regels of de officiële tekeningen nadat de boot voor het eerst gemeten is. Deze regel geldt ook voor reparaties die bovendien aan regel 5 en de regels van sectie III moeten voldoen.
2.6

Onder voorbehoud van regel 2.5, mogen amateur bouwers reparaties uitvoeren en versleten onderdelen vervangen.

2.7

Reparatie of vervanging van houten delen waarvoor een of meer schotten, de spiegel, een spant, een of meer stringers, de kielbalk, de zwaardkast, of belangrijke delen daarvan, verwijderd moeten worden, en waarvoor een hulpframe of vergelijkbare inrichting noodzakelijk is om de vorm van de romp te behouden, mag niet worden uitgevoerd zonder voorafgaande toestemming van de NCA, behalve als zo een reparatie of vervanging door een gelicentieerde scheepsbouwer wordt uitgevoerd.

2.8

Het werk zoals beschreven in regel 2.7, moet zo worden uitgevoerd dat het behoud van de originele rompvorm verzekerd is en of zo dat de rompvorm en materialen voldoen aan de specificaties

3

Registratie

3.1 De licentiehouder is verplicht voor elke boot of bouwpakket die hij verkoopt, de NCA een registratie vergoeding en lidmaatschapcontributie voor één jaar te voldoen.
3.2 De boot wordt dan toegevoegd aan het register dat de NCA bijhoudt. Na bekendmaking van een eigenaarswisseling zal de NCA het register kosteloos bijwerken.
3.3 Een boot die gebouwd is in een land dat geen NCA heeft zal geregistreerd worden bij de WIC, die dan als NCA wordt beschouwd ten behoeve van de regels 2, 4 en 6.
4

Certificaat

4.1 Geen enkele boot mag deelnemen aan een wedstrijd als een Wayfarer tenzij ze geregistreerd is bij een NCA op naam van de huidige eigenaar en een geldig drijf- en meetcertificaat heeft (hierna genoemd; certificaat). Initieel wordt dit certificaat uitgegeven worden door de NCA na ontvangst van twee kopieën van een officieel klasse meetformulier, volledig ingevuld in overeenstemming met regel 5. Een wordt terug gezonden aan de eigenaar samen met het certificaat. Bij een eigenaarswisseling ontvangt de NCA een vergoeding voor de uitgifte van een nieuw certificaat.
4.2 Een certificaat zal als geldig worden beschouwd indien er een drijftest aanhangsel bij zit, dat niet ouder is dan 12 maanden, en het de juiste boot en eigenaarsgegevens bevat.
5

Meetprocedure

5.1 Dit is een eenheidsklasse. Metingen en toleranties zijn bedoeld voor gebruikelijke bouwafwijkingen en mogen niet bewust gebruikt worden om het ontwerp te veranderen. Metingen worden uitgevoerd met behulp van deze regels. De meter zal via meetformulieren alles rapporteren wat hij in afwijking acht van de bedoelingen van het ontwerp van de boot of het algemene belang van de klasse.
5.2 Uitsluitend meters aangesteld door een NCA, of meters van groepen die daarvoor door NCA zijn aangewezen, zijn gerechtigd Wayfarers te meten. Betaling voor de diensten van de meter zijn de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de boot.
5.3 Het is een meter niet toegestaan zijn eigen boot of een boot die door hem is gebouwd te meten.
5.4 Twee kopieën van het volledig ingevulde officiële klasse meetformulier in overeenstemming met deze regels moet ondertekend worden door de bouwer, de officiële meter en de eigenaar.
5.5 Alle zeilen moeten gemeten worden. Goedgekeurde zeilen worden gesigneerd en van een datum voorzien door de meter, en in landen die officiële stempels gebruiken, ook door de meter gestempeld.

Naleven van de regels

5.6 De huidige regels die niet schuin gedrukt zijn, zijn van toepassing op alle boten; uitgezonderd de boten die gemaakt zijn voorafgaand aan de publicatiedatum van de huidige regels en niet aan de meetregels van sectie III voldoen. Deze boten moeten voldoen aan de corresponderende regels die van kracht waren toen de boot gemaakt werd.
5.7 De huidige regels die schuin gedrukt zijn, zijn van toepassing op alle boten, ongeacht wanneer ze gebouwd zijn of wanneer bepaalde uitrusting is aangebracht.
5.8 Elke wijziging of vervanging moet voldoen aan regels die ten tijde van de wijziging of vervanging van kracht waren.
5.9 Sommige metingen moeten officieel gemeten woorden en op het meetformulier worden vermeldt, dit betekend echter niet dat de overige maten niet meer aan deze regels hoeven te voldoen.
5.10 Het is de verantwoordelijkheid van de eigenaar er voor te zorgen dat de boot gemeten is en te verzekeren dat ze ook daarna blijft voldoen aan de klassenregels.

Hermeting

5.11 Elke gecertificeerde boot moet opnieuw worden gemeten wanneer een NCA of een wedstrijdcomité daarom verzoekt, maar uitsluitend door een erkende klasse meter.
5.12 Een certificaat kan ongeldig worden door reparaties of vervanging van onderdelen die onderworpen zijn aan deze regels. De boot moet dan opnieuw gemeten worden met betrekking tot het betreffende onderdeel door een officiële klasse meter en het certificaat wordt dan van een gewaarmerkt aanhangsel voorzien. Reparaties of vervanging van onderdelen zal gewoonlijk geregistreerd worden op een officieel meetformulier maar in deze gevallen hoeven de formulieren niet geregistreerd te worden door de NCA.

Uitspraken en Dispensatie

5.13 Als er twijfel bestaat of een boot aan de regels voldoet zal dit voorgelegd worden aan het wedstrijdcommissie van de NCA die dan een uitspraak zal doen.
5.14 Een NCA is gemachtigd in uitzonderlijke gevallen dispensatie te verlenen als dit in het belang van de klasse wordt geacht. Deze dispensatie moet worden geregistreerd op het certificaat van de betreffende boot.
5.15 Uitspraken onder regel 5.13 en dispensaties onder regel 5.14 moeten door de betreffende NCA aan het WIC gemeld worden.
5.16 De her registratie van een boot is toegestaan en een licentieplaat wordt afgegeven onder de volgende condities:
  1. Als het registratiebewijs verloren is gegaan.
  2. Het eigenaarschap is vastgesteld door de NCA
  3. De boot gemeten is en voldoet aan de klassenvoorschriften.
  4. De NCA in kennis wordt gesteld dat een beroep wordt gedaan op regel 5.16 voor
  5. de boot gemeten wordt.
  6. Het bootnummer dat uitgegeven wordt zal voorafgegaan worden door het nummer nul.
  7. Het nummer moet permanent en onuitwisbaar in het GRP van de romp worden aangebracht op een duidelijk zichtbare plaats.
  8. Een klasse meter moet aan de NCA bevestigen dat de licentie plaat aan de romp is bevestigd en dat aan regel 5.16(f) is voldaan voordat een certificaat wordt verstrekt.

Sectie III

Uitvoeren van de metingen

6

Terminologie

6.1 In de volgende meetregels wordt de term Mark I gebruikt om Wayfarers aan te duiden gemaakt van hout, GRP of composiet constructie met volledige voorschotten die vastzitten aan de onderkant van het voordek en zo het voorste drijfcompartiment vormen; met de toevoeging A wordt een alternatieve GRP versie bedoelt die het voorste drijfcompartiment horizontaal gedeeld heeft waardoor twee aparte drijfkamers ontstaan.
De term Mark II refereert aan Wayfarers van composiet of GRP constructie met een voorgevormd boeg drijfcompartiment met een horizontale afscheiding zodat een opbergruimte ontstaat tussen het voordek en het drijfcompartiment. De toevoeging SD refereert aan een alternatieve versie van composiet of GRP constructie met een zelf lozend kuipvloer vormdeel.
De term mark III refereert aan Wayfarers van GRP constructie die uitsluitend in Canada gemaakt worden. Dit ontwerp heeft een binnen vormdeel voor de vloer, boeg drijftank, zijdekken en achter kast met uitzondering van het luik, plus additionele vormdelen onder dit binnen vormdeel.
Series II refereert aan minimale variaties op de Mark I en II modellen ten gevolgen van gereedschapswijzigingen.
De +S heeft een schuim constructie in de romp en een boeg drijfcompartiment dat door een volledig voorschot, verbonden met de onderzijde van het voordek, wordt gevormd. De term Wayfarer World wordt gebruikt om Wayfarers van GRP constructie aan de duiden met een binnen vormdeel voor een zelflozende kuipvloer, boeg drijftank en zijdekken, plus additionele vormdelen onder dit vormdeel.
6.2 Het gebruik van de woorden "maximum" en "minimum" in relatie tot de metingen beschreven in deze regels, betekend dat er een grootste en een kleinste maat toegestaan is in die gevallen.
7

Interpretatie van het eenheidsontwerp

7.1 Elke boot moet overeenkomen met de officiële tekeningen voor zijn specifieke Mark en constructie type. Varianten die gebruik maken van alternatieve kenmerken van andere Mark’s en constructie typen zijn niet toegestaan. De toegestane ontwerpen zijn:
  1. Mark I houten constructie.
  2. Mark I GRP constructie.
  3. Mark I composiet constructie.
  4. Mark IA GRP constructie.
  5. +S GRP constructie.
  6. Mark II GRP constructie.
  7. Mark II composiet constructie.
  8. Mark II zelflozende (SD) GRP constructie.
  9. Mark II SD zelflozende composiet constructie.
  10. Mark III SD GRP constructie, Te registreren bij CWA of USWA.
  11. Series 2 Mark IA GRP constructie.
  12. Series 2 Mark IA composiet constructie.
  13. Series 2 +S GRP constructie.
  14. Series 2 +S composiet constructie.
  15. Series 2 Mark II GRP constructie.
  16. Series 2 Mark II composiet constructie.
  17. Wayfarer World GRP constructie.
  18. Wayfarer World +S GRP constructie.


8

 

Romp en configuratie

Lenge metingen

 

8.1 Alle lengtes onder regel 8 worden vanaf de achterzijde van de spiegel gemeten.
8.2 Lengte over alles, exclusief beslag: 4814 +/- 26 (15’9½" +/- 1")
(Alleen Mark III) Lengte over alles, exclusief beslag: 4832 +/- 26 (15’10¼" +/- 1")
(Alleen Wayfarer World) De romp en het dek mogen niet afwijken van de officiële mallen en tekening.
8.3 Spiegel tot voorkant van het achterschot. 788 +/- 20 (2’7" +/- ¾")
8.4 (Alleen houten boten) Spiegel tot midscheepse dekknie. 2058 +/- 20 (6’9" +/- ¾") (Alleen GRP en composiet boten) Spiegel tot achterkant doft. 2058 +/- 20 (6’9" +/- ¾")
(Alleen Wayfarer World) Spiegel tot achterkant doft. 2100 +/- 20 (6’11" +/- ¾)
8.5 (Alleen Mark I +S en MARK IA) Spiegel tot achterkant van het voorste schot. 3455 +/- 20 (11’4" +/- ¾")
(Alleen Mark II) Spiegel tot achterkant voorste schot op 20 (¾") vanaf de bovenste hoek van het vormdeel op 4½" (115 mm) van de middellijn. 3310 +/- 20 (10’10.3/8" +/- ¾")
9

Breedte metingen

9.1 Alle breedte meetpunten onder regel 9 worden vanaf de achterzijde van de spiegel gemeten.
9.2 Breedte metingen onder regel 9 worden gemeten vanaf de uiterste dekrand, exclusief schuurlijsten of stootranden.
9.3 Breedte op 2’7" (788 mm) vanaf de spiegel, gemeten van dekrand tot dekrand. 1670 +/- 13 (5’5¾" +/- ½")
(Alleen Mark III) Breedte op 2’7" (788) vanaf de spiegel. 1702 +/- 13 (5’7" +/- ½")
9.4 Breedte op 6’9" (2058) vanaf de spiegel. 1855 +/- 13 (6’1" +/- ½")
(Alleen Mark III) Breedte op 6’9" (2058) vanaf de spiegel. 1880 +/- 13 (6’2" +/- ½")
9.5 Breedte op 11’4" (3455) vanaf de spiegel. 1422 +/- 13 (4’8" +/- ½")
(Alleen Mark III) Breedte op 11’4" (3455) vanaf de spiegel. 1461 +/- 13 (4’9½" +/- ½")
9.6 (Alleen Wayfarer World) De romp, het dek en de zijdekken mogen niet afwijken van de officiële mallen.
10

Doorsnede metingen (alleen houten boten)

10.1 Aan de buitenkant van de spiegel
  1. Breedte op dekhoogte, exclusief schuurlijst en stootranden. 1277 +/- 13 (4’2¼" +/- ½")
  2. Breedte bij bovenste knik, buitenkant huid. 1156 +/- 13 (3’9½" +/- ½")
  3. Breedte bij onderste knik, buitenkant huid. 838 +/- 13 (2’9" +/- ½")
  4. Diepte vanaf dek tot buitenkant kielbalk 362 +/- 13 (1’2¼" +/- ½")
  5. Diepte vanaf onderste knik tot buitenkant kielbalk 77 +/- 13 (3" +/- ½")
10.2 Aan de voorkant van het achterste schot
  1. Diepte vanaf bovenste hoek van het schot tot de bovenkant van de kielbalk, voor de er naast liggende vloerdrager 407 +/- 13 (1’4" +/- ½")
  2. Breedte tot aan de rand van het dek, exclusief schuurlijst en stootranden 1670 +/- 13 (5’5¾" +/- ½")
10.3 Aan de achterkant van de midscheepse dekknie
  1. Breedte tot aan de rand van het dek, exclusief schuurlijst en stootranden 1855 +/- 20 (6’1" +/- ¾")
  2. Breedte bij de bovenste knik, binnenkant van de romp bij de bovenste hoek van de stringers 1607 +/- 20 (5’3¼" +/- ¾")
  3. Breedte bij de onderste knik, binnenkant van de romp bij de bovenste hoek van de stringers 1270 +/- 20 (4’2" +/- ¾")
  4. Bovenste romp paneel breedte, vanaf de onderkant van de binnenrand van het zijdek tot bovenste hoek van de bovenste stringer. 344 +/- 13 (1’1½" +/-½")
  5. Onderste romp paneel breedte, vanaf de bovenste binnenhoek van de bovenste stringer naar de huid bij de bovenste hoek van de onderste stringer. 216 +/- 13 (8½" +/-½")
  6. Diepte, vanaf de hoek van het dek tot bovenkant van de kielbalk. 585 +/- 20 (1’11" +/-¾")
10.4 Aan de achterkant van het voorste schot
  1. Breedte tot aan de rand van het dek, exclusief schuurlijst en stootranden 1422 +/- 13 (4’8" +/- ½")
  2. Breedte bij de bovenste knik, binnenkant van de romp bij de bovenste hoek van de stringers 1163 +/- 13 (3’9¾" +/- ½")
  3. Breedte bij de onderste knik, binnenkant van de romp bij de bovenste hoek van de stringers 877 +/- 13 (2’10½" +/- ½")
  4. Diepte vanaf de bovenste knik, vanaf binnenste bovenhoek van de bovenste stringer tot de bovenkant van de kielbalk. 324 +/- 13 mm (12¾" +/-½")
  5. Diepte vanaf de onderste knik, vanaf binnenste bovenhoek van de onderste stringer tot de bovenkant van de kielbalk. 146 +/- 13 (5¾" +/-½")
11

Kiel

11.1 Breedte. Tussen de zijkanten op 3963 (13’0") vanaf de spiegel. 73 (2.7/8") minimum.
11.2 Diepte. Vanaf de onderkant van de huid tot de onderkant van de kielbalk op 4267 (14’0") vanaf de spiegel. 15 (5/8") minimum.
11.3 Straal van de buitenhoeken. 12 (½") maximum.
11.4 Kielstrip
  1. Over de volledige lengte van de kiel en boeg tot aan de boegpunt of boegbeslag, en aan beide kanten van de zwaardkast.
  2. Materiaal. Duurzaam corrosie bestendig metaal.
  3. Dikte. 7 (¼") maximum.
  4. Breedte. 20 (¾") maximum.
  5. Additionele kiel strippen. Mogen gemonteerd worden, maar hun gewicht mag niet mee gewogen worden met het romp gewicht (Regel 25) en zij moeten voldoen aan de regels 11.4 (b), (c) en (d).
12

Kimkielen

12.1 Lengte. 1994 +/- 26 (6’6½" +/- 1").
12.2 Breedte. 32 +/- 4 (1¼" +/- 1/8").
12.3 Dikte. 26 +/- 4 (1" +/- 1/8").
12.4 Afstand vanaf de kiel. Gemeten over de romp oppervlakte. 432 (1’5") minimum.
12.5 Lengte van verjongingen aan uiteinden. 102 (4") maximum.
12.6 Radius van buitenhoeken. 12 (½") maximum.
13

Schuurlijsten

13 De zijdek constructie en schuurlijsten, indien gemonteerd, zullen voldoen aan de officiële tekening, blad No. 33. De doorsnede zal regelmatig en constant zijn van boeg tot spiegel met uitzondering van de uiteinden, die verjongd mogen zijn over een afstand van 102 (4").
(Alleen Mark III en Wayfarer World) De zijdek constructie mag niet afwijken van de officiële mallen en tekening. Een schuurlijst, indien gemonteerd, moet een gelijkmatige doorsnede hebben over de volledige lengte van de boot met uitzondering van 102 (4") bij boeg en spiegel, en zal niet meer dan 22 (7/8") uitsteken buiten het GRP oppervlak van de zijdekken zoals die uit de officiële mallen komen.
14

Zwaardkast

14.1 Interne breedte. 29 (1.1/8") maximum. Vulstukken van constante doorsnede en maximale diepte 26 (1") bevestigd aan de bovenkant van de zwaardkast en de onderkant van de zwaardkast zijn toegestaan.
14.2 Sleuf in de kiel.
  1. Voorkant tot buitenkant spiegel, gemeten over de kielbalk. 2744 (9’0") maximum.
  2. Achterkant tot buitenkant spiegel, gemeten over de kielbalk. 1448 (4’9") maximum.
14.3 Zwaardbout.
  • Achterkant via de achterkant van de zwaardsleuf, vandaar over de kielbalk tot aan de buitenkant van de spiegel. 2629 +/- 13 (8’7½" +/- ½").
  • Onderkant naar onderkant kiel. 89 +/- 7 (3½" +/- ¼").
  • 15

    Openingen in de huid

    15.1 Er zijn geen openingen in de huid toegestaan met uitzondering van de openingen die genoemd worden in regel 15.
    15.2 Zwaardsleuf. Toegestaan in overeenstemming met regel 14.
    15.3 Zelflozers. Het maximum toegestane aantal is twee. Maximale opening in de huid voor elk. 7100 mm2 (11 inch2)
    15.4 Bilge pomp uitlaten. Uitsluitend in de bovenste zijpanelen. Maximum toegestane aantal: twee. Diameter van elke 26 (1")
    15.5 Loosgaten in spiegel. Maximum aantal vier. Maximum diameter elk 26 (1")
    15.6 Loosgaten in bodem (niet toegestaan in SD versies) Maximum aantal twee. Maximum diameter van elk 26 (1")
    15.7 (Alleen Mark II SD en Mark III). Loos buis uitlaten in spiegel. Maximaal aantal toegestaan twee. Maximale diameter van elke 112 (4.3/8"). Uitlaten moeten verbonden zijn met de kuip op een waterdichte manier door middel van buizen met een maximale diameter van 112 (4.3/8").
    (Alleen Wayfarer World). Twee loos openingen in de spiegel. Maximale afmetingen 210 x 75 (8¼" x 3").
    15.8 (Alleen houten boten). Boeg bevestigingspunt. Een dwars gat is toegestaan in de boeg. Het mag de goede werking van het boeg drijfcompartiment niet beïnvloeden.
    16

    Projecties buiten de huid

    16.1

    Uitsluitend de volgende projecties zijn toegestaan:

    1. Boegbeslag. Maximale projectie buiten de steven 13 (½").
    2. Spinnaker schoot opvang haak. Een, maximum projectie vanaf de steven 77 (3").
      Spinnaker schoot kikkers mogen niet uitsteken buiten het zijdek of de schuurlijst indien aanwezig.
    3. Schuurlijsten. In overeenstemming met regel 13.
    4. Elastische stootlijsten. In overeenstemming met regel 13.
    5. Kikkers of ogen voor de bevestiging van dekkleden of veiligheidsriemen. Mogen niet uitsteken voor de steven strip.
    6. Kiel en kimkielen. In overeenstemming met regels 11 en 12.
    7. Kiel- en kimkiel strips. In overeenstemming met regels 11.4 en 12.8.
    8. Sleep- of trekhaak.
    9. Roerpennen en roer borgstrip.
    10. Naamplaten.
    11. Loos pluggen. In overeenstemming met regels 15.5 en 15.6.
    12. Zelflozers. In overeenstemming met regel 15.3.
    13. Pomp doorvoeren. In overeenstemming met regel 15.4.
    14. Overlapping van de dek vormdelen in GRP boten.
    15. Buiten boord motorsteun.
    16. Roeidollen, nabij de spiegel voor een stuurriem. Maximum aantal twee. Mogen niet gebruikt worden tijdens wedstrijden.
    17. (Alleen Mark II SD, Mark III en Wayfarer World). Spiegel flappen. Maximum twee. Om de loos gaten af te sluiten volgens regel 15.7.
    18. (Alleen Wayfarer World) Een asymmetrische boom mag niet meer dan 1250 mm uitsteken buiten het buitenste dekdeel.
    19. (Alleen Wayfarer World) De Asymmetrische boom moet worden ingetrokken en gezekerd tijdens klassenwedstrijden.
    17

    Zwaard

    17.1 Materiaal. Massief of gelamineerd hout of GRP in overeenstemming met de officiële tekeningen en specificaties.
    17.2 Profiel. (Inclusief eventuele beschermstrips). Conform de officiële tekening.
    17.3 Dikte. (Inclusief eventuele beschermlaag). Moet uniform zijn. Maximaal 21 (13/16"). Minimum 17 (11/16") met uitzondering van de toegestane verjonging.
    17.4 Verjonging. Niet meer dan 64 (2½") vanaf elke kant.
    17.5 Kanten. Mogen beschermd worden door metalen of plastic strips van 10 (3/8") maximum dikte.
    17.6 Oppervlak. Houten zwaarden in overeenstemming met regel 17 mogen een GRP bescherming van uniforme dikte hebben. Ze zullen echter in alle opzichten aan regel 17 moeten blijven voldoen.
    17.7 Gewicht. Mag niet zwaarder zijn dan 6,123 (13½). Gewichtsconcentratie in een bepaald deel van het zwaard is niet toegestaan. Dit mag gecontroleerd worden door middel van een drijftest.
    17.8 Hoek. Het moet onmogelijk zijn het zwaard verder te steken dan een hoek van 83 graden tussen de voorkant van het zwaard en het tangent van de onderkant van de kielbalk ter plaatse van de voorkant van het zwaard.
    17.9 Diepte. Als het zwaard volledig gestoken is mag het diepste punt niet minder dan 965 (3’2") of niet meer dan 1008 (3’3.5/8") onder de onderkant van de kielbalk uitsteken.
    17.10 Vulstukken van gelijke dikte aangebracht aan beide zeiden van het zwaard zijn toegestaan. Deze vulstukken moeten worden mee gewogen bij de gewichtsbepaling van het zwaard. Ze mogen, in geen enkele zwaardpositie, onder de kiel uitsteken.
    18

    Roerblad

    18.1 Materiaal. Massief of gelamineerd hout of GRP in overeenstemming met de officiële tekeningen en specificaties.
    18.2 Profiel. (Inclusief eventuele beschermstrips). Conform de officiële tekening.
    18.3 Dikte. (Inclusief eventuele beschermlaag). Moet uniform zijn. Maximaal 21 (13/16"). Minimum 14 (9/16") met uitzondering van de toegestane verjonging.
    18.4 Verjonging. Niet meer dan 51 (2") vanaf elke kant.
    18.5 Kanten. Mogen beschermd worden door metalen of plastic strips van 10 (3/8") maximum dikte.
    18.6 Oppervlak. Houten zwaarden in overeenstemming met regel 17 mogen een GRP bescherming van uniforme dikte hebben. Ze zullen echter in alle opzichten aan regel 17 moeten blijven voldoen.
    18.7 Vulstukken van gelijke dikte aangebracht aan beide zeiden van het roerblad zijn toegestaan. Ze mogen niet onder de roerkoning uisteken. De totale dikte van roer en vulstukken mag niet meer dan 21 mm zijn.
    18A

    Roerkoning

    18A.1 Materiaal moet hout of metaal zijn. Houten roerkoningen moeten overeen komen met de officiële tekeningen en specificaties. Metalen roerkoningen moeten voldoen aan de intentie van de klasse regels (Regel 1.1) en het ontwerp moet goedgekeurd zijn door de lokale NCA.

    19

    Dekken en interne uitslag

    Dekken

    19.1 Voordek
    1. Steven top tot achterkant van het voordek 102 (4") vanaf de middellijn. 1715 +/- 39 (5’7½" +/- 1½").
      (Alleen Mark III) Steven top tot achterkant van het voordek 4" (102 mm) vanaf de middellijn. 1765 +/- 13 (5’9½" +/- ½").
    2. Steven top tot uiterste hoek van het voordek, bij het zijdek 2223 +/- 39 (7’3½" +/- 1½"). (Alleen Mark III) Steven top tot uiterste hoek van het voordek, bij het zijdek 2286 +/- 13 (7’6" +/- ½").
    3. (Alleen Wayfarer World). In overeenstemming met de officieel goedgekeurde mallen tekening.
    19.2 Zijdekken. Achter de doft. Breedte gemeten in rechte hoeken met het tangent van de buitenrand, exclusief schuurlijst. 210 +/- 13 (8¼" +/- ½")
    (Alleen Mark III) Achter de doft. Breedte gemeten in rechte hoeken met het tangent van de buitenrand, exclusief schuurlijst. 229 +/- 7 (9" +/- ¼")
    (Alleen Wayfarer World) Overeenkomstig de officieel goedgekeurde mal en tekening.
    19.3 Dek van achterste drijftank (Alleen Mark I)
    1. Moet vlak zijn.
    2. Mag nergens meer dan 51 (2") beneden het niveau van de naast liggende zijdekken zijn.
    19.4 Dek van achterste drijftank (Alleen Mark IA, Mark II en Mark II SD) Volgens de officiële achterste drijftank mal.
    19.5 (Alleen Wayfarer World). Achterste drijftank is weggelaten.
    20

    Openingen in dekken en schotten

    20.1 Geen openingen zijn toegestaan in dekken en schotten (inclusief de kuipvloer van SD modellen en Wayfarer World) met uitzondering van de openingen genoemd in regel 20. Indien er doorvoeren of beslag zijn gebruikt zullen hun interne openingen worden gemeten.
    20.2 Inspectieluiken. Zijn toegestaan in overeenstemming met regel 21.
    20.3 Openingen bestemd voor verstevigingen om beslag aan vast te maken mogen een maximale diameter hebben van 13 (½") en moeten afgewerkt worden op een manier die de waterdichtheid van de drijfkasten garandeert.
    20.4 In het voordek. Twee openingen met een gezamenlijke diameter van maximaal 26 (1"). De middens van deze openingen moet zich binnen een afstand van 64 (2½") van de mastuitsparing bevinden.
    20.5 Want puttings. Moeten zuiver passen. De wanten mogen niet door het dek gevoerd worden.
    20.6 (geldt niet voor Wayfarer World). In elke zijdek structuur zijn de volgende openingen toegestaan:
    1. Fokkenschoot doorvoer. Gezamenlijke maximale oppervlakte in het horizontale vlak 2258 mm2 (3½ inch2). Gezamenlijke oppervlakte in het verticale vlak 2258 mm2 (3½ inch2)
    2. Roeidol pot. Slechts een met maximale diameter 26 (1"). De roeidol pot van de Wayfarer World moet afgesloten worden.
    3. Spinnaker schoot doorvoer. Gezamenlijke maximale oppervlakte (in het horizontale en verticale vlak samen) 1290 mm2 (2 inch2)
    4. Handgat. (alleen in Mark IA, Mark II en Mark II SD). Slechts een, op niet meer dan 686 (2’3") van de spiegel. Maximale lengte 203 (8"). Maximum breedte 51 (2").
    5. Gat voor het bevestigen van een grootschoot teugel, slechts een. Maximale diameter 13 (½")
    20.7 In het voorste schot. Niet meer dan twee loos gaten, elk met een maximum diameter van 26 (1").
    20.8 In het achterste schot:
    1. Niet meer dan twee loos gaten, elk met een maximum diameter van 26 (1"), onder het niveau van de kuipvloer.
    2. (Alleen Mark II SD). Niet meer dan twee loos gaten, elk met een maximum diameter van 26 (1"), boven het niveau van de kuipvloer.
    3. (Alleen Mark II SD en Mark III). Niet meer dan twee inlaat poorten, elk met een maximum diameter van 112 (4.3/8"), verbonden op een waterdichte manier met de spiegel buizen zoals toegestaan in regel 15.7
    20.9 Sluiting. Alle openingen in drijfcompartimenten moeten op een effectieve en waterdichte manier afgesloten worden tijdens wedstrijden.
    21

    Luiken

    21.1 In het voorste schot. (Alleen verplicht in Mark I. Optioneel in +S)
    1. Breedte van de luik opening. 508 +/- 26 (1’8" +/- 1");
    2. Diepte van de luik opening. 305 +/- 26 (1’0" +/- 1").
    21.2 In het voorste schot. (Alleen Mark IA)
    1. Breedte van bovenste en onderste luik openingen. 684 +/- 26 (2’1½" +/- 1");
    2. (i) Diepte van de bovenste luik opening. 210 +/- 26 (8¼" +/- 1").
      (ii)Diepte van de onderste luik opening. Maximum 261 (10¼").
    21.3 In het voorste schot.
    (Alleen Mark II en Mark II SD) Een of twee ronde inspectie luiken moeten aanwezig zijn. De diameter van de opening is 127 +/- 32 (5" +/- 1¼"). Waarvan het middelpunt zich op niet meer dan 153 (6") van de bovenkant van het schot en niet meer dan 203 (8") van de middellijn mag bevinden.
    (Alleen Mark III) Een of twee ronde inspectie luiken moeten aanwezig zijn. De diameter van de opening is 127 +/- 32 (5" +/- 1¼"). Waarvan het middelpunt zich op niet meer dan 254 (10") van de middellijn, en niet minder dan 76 (3") van het vloer niveau mag bevinden.
    21.4 In achterdek.
    1. Breedte van de opening. 623 +/- 39 (2’0½" +/- 1½").
    2. Lengte van de opening. 344 +/- 45 (1’1½" +/- 1¾").
    3. (Alleen serie 2). Als alternatief mag een rond luik met diameter 127 +/- 32 (5" +/- 1¼") gemonteerd worden.
    21.5 In de kuipvloer (Alleen Mark II SD) een inspectieluik van een goedgekeurd type.
    1. Breedte van de luik opening. 165 +/- 13 (6½" +/- ½").
    2. Lengte van de luik opening. 127 +/- 13 (5" +/- ½").
      Of
    3. een ronde luikopening met diameter 146 +/- 32 (5¾" +/- 1¼").
    21.6 Luik deksels. Moeten waterdicht sluiten als ze gesloten worden met de sluitingen die normaal aan de boot zijn gemonteerd.
    21.7 Voorste luikdeksel. (Alleen Mark I en +S)
    1. Een rond waterdicht inspectieluik mag gemonteerd zijn in het voorste schot of het luikdeksel, met het middelpunt ongeveer op de middellijn van de romp maar niet meer dan 407 (1’4") vanaf de onderkant van het dek. De opening moet 127 +/- 32 (5" +/- 1¼") zijn.
    2. Het luikdeksel mag permanent gesloten worden met additionele middelen, op een waterdichte manier mits een er een inspectieluik is aangebracht volgens regel 21.7b
    21.8 (Alleen Wayfarer World). Niet meer dan 6 ronde waterdichte inspectieluiken mogen worden gemonteerd elk met een maximum diameter van 159 (6¼â€).
    21.9 (Alleen Mark III) In zwaardkast. Een rond waterdicht inspectieluik aan elke kant van de zwaardkast waarvan de openingsdiameter 127 +/- 6 (5" +/- ¼") moet zijn.
    22

    Banken

    22.1 Doft. (Alleen houten boten). Hoogte van bovenvlak boven kielbalk. 432 +/- 26 (1’5" +/- 1").
    22.2 Banken.
    1. Moet van latten zijn gemaakt in overeenstemming met de officiële tekeningen die van toepassing zijn voor de specifieke versie van de boot.
    2. Totale breedte 204 (8") minimum. (Wayfarer World uitgezonderd) (Alleen Mark III) Totale breedte 191 (7½") minimum.
    3. Dikte. 19 (¾") minimum (Wayfarer World uitgezonderd).
    4. Afstand tussen binnenkanten van tegenover elkaar geplaatste banken. 991 (3’3") maximum (Wayfarer World uitgezonderd).
    5. Voorste banken moeten aanwezig zijn tijdens wedstrijden. De achterste banken mogen verwijderd worden.
    6. (Alleen Wayfarer World). Moeten van de officiële mal zijn zoals gespecificeerd in de goedgekeurde tekeningen.
    23

    Buikdenning

    23.1 Positie. Moeten aanwezig zijn tijdens wedstrijden maar zijn verwijderbaar.
    23.2 Materiaal. Multiplex of GRP met minimum dikte 8 (5/16â€). Massief houten verstevigingen of een raamwerk is toegestaan.
    23.3 Aantal. Niet meer dan drie aan elke kant van de middellijn.
    23.4 Openingen, toegestaan voor bevestigingsklossen, toegang tot beslag en vinger gaten waar redelijk.
    23.5 De buikdenningen moeten grotendeels overeenkomen met de officiële tekeningen voor het betreffende type.
    24

    Want puttings

    24.3 Afstand vanaf de buitenkant van de spiegel tot aan het midden van het montage gat. 2743 (9’0") maximum.
    24.2 Afstand dwarsscheeps tussen het midden van de montage gaten in de tegenovergestelde wantputtings. 1575 (5’2") minimum.

    25

    Romp gewicht

    Romp gewicht

    25.1 Condities tijdens de weging.
    1. Alle interne en externe vlakken moeten droog zijn, tot tevredenheid van de meter.
    2. Beslag wordt niet mee gewogen met de romp tenzij het gebout, geschroefd, gelijmd of op andere wijze als permanente uitrusting aan de boot bevestigd is en tijdens wedstrijden blijft zitten. Beslag dat niet genoemd wordt in regel 25(c) en (d) zal niet worden mee gewogen.
    3. Onderdelen die mee gewogen moeten worden:
      Zwaard.
      Luik deksels.
      Voorste banken.
      Vloerdelen.
      Boegplaat.
      Zwaardbout.
      Mastrail.
      Roerpennen.
      Schoot bok.
      Wantputtings.
      Steven en kiel strips (zie regels 11.4(e) en 12.8).
    4. Onderdelen die mee gewogen mogen worden:
      Inspectieluik deksels.
      Mast pen.
      Stevig vastgemaakte schoot lei ogen.
      Schoot kikkers.
      Roeidolpotten.
      Loosgat sluitingen.
      Niet meer dan vier draag handvatten.
      Verhaalklampen.
      Meer en voorstag kikkers.
      Twee zelf lozers.
      Kikkers of ogen voor het vastmaken van dekkleden of landvasten riemen, Anker of motor.
      Voetriemen met bevestigingen.
      Stootranden.
      Vaste metalen uitrustingsstukken en beslag.
      Klampen of tourniquetten voor het bevestigen van de banken, vloerdelen of luiken.
    5. Onderdelen die niet mee gewogen mogen worden:
      Achterste banken.
      Verwijderbare blokken.
      Schoten.
      Roer.
      Helmstok.
      Rondhouten.
      Extra kimkielen.
      Kimkiel strips.
      Additionele hoofdkiel strips. (zie regels 11.4(e) ).
      (Alleen Wayfarer World) Asymmetrische boom. (De romp wordt met boom gewogen. De meter mag 1,4 kg aftrekken)
    25.2

    Minimum gewicht. Onder omstandigheden zoals gespecificeerd in regel 25.1:

    1. Alle versies. 182.3 kg (402 lbs) inclusief de vloerborden.
    2. De versies (a-g) (k-p) 168,7 kg (372 lbs) zonder vloerborden.
    25.3 Gewichtscorrectie. Rompen die minder wegen dan het gespecificeerde in regel 25.2 onder de condities van regel 25.1 moeten op het minimum gewicht gebracht worden door middel van gewichtscorrectoren gemaakt van een willekeurig materiaal waarvan het totale gewicht niet meer mag zijn dan 6.8 kg (15 lbs). De gewichtscorrectors worden bevestigd tegen de onderkant van de doft.
    25.4 Verminderen van de gewichtscorrectors is niet toegestaan zonder officiële herweging.
    25.5 Vastleggen van de gewichtscorrectie. Gewichtscorrectors worden apart gewogen en hun gewicht wordt vermeldt op het meetformulier.
    25.6 Verandering van gewicht. Na elke toegestane wijziging aan de romp of het beslag dat een gewichtsverandering veroorzaakt is een officiële herweging verplicht.

    26

    Tuigage

    Mast

    26.1 Materiaal. Metaal of hout.
    26.2 Ontwerp van metalen of houten masten. In overeenstemming met de officiële tekeningen. De mastvoet mag van een messing worden voorzien.
    26.3 Metalen masten moeten worden gemaakt van extrusies met een gewicht van niet minder dan 1,089 kg/m (0.732 lbs/ft).
    26.4 Positie van de mast. Wordt bepaald door de gaten voor de mastbout in de mast en de mastkoker wangen, zoals bepaald door de officiële tekeningen en regel 26.5. De mast wordt gezekerd door een mastbout of pen met een minimum diameter van 6 (¼â€) door de mastbout gaten. Het moet mogelijk zijn de mast te strijken zonder de mastbout of pen te verwijderen en zonder dat er een afstelling moet worden veranderd of een onderdeel verbonden met de romp moet worden verwijderd of losgemaakt op of beneden het voordek niveau, met uitzondering van de neerhouder en de vallen.
    26.5 De mastbout gaten in de mastkoker wangen zijn geplaatst:
    1. Het midden 3163 +/- 13 (10’4½" +/- ½") vanaf de buitenkant van de spiegel.
    2. Vertikaal gemeten vanaf de zeeg tot het midden van de gaten 86 +/- 13 (3.3/8" +/- ½"). De zeeg is de projectie van een rechte lijn vanaf de buitenkanten van de romp waar deze de bovenkanten van de zijdekken snijdt.
    3. (Alleen Mark III) Gecentreerd 457 +/- 13 (1’6" +/- ½") boven het niveau van de kuipvloer.
    4. Maximum diameter 16 (5/8").
    26.6 Zeillimiet strepen. Van contrasterende kleur, niet smaller dan 7 (¼"), moeten zijn aangebracht op:
    1. Streep No. 1 Met de bovenrand 708 +/- 3 (2’3.13/16 +/- 1/8") boven het midden van het mastbout gat van de mast.
    2. Streep No. 2 Met de onderrand 4949 +/- 7 (16’2.13/16" +/- ¼") boven het midden van het mastbout gat van de mast.
    3. Streep No. 3 Met de onderrand niet meer dan 5868 (19’3") boven de bovenrand van streep 1.
    26.7 De doorgetrokken lijn van het voorstag en het voorlijk van de fok. Raakt de mast onder de onderrand van streep No. 2 op een punt niet meer dan 75 mm onder de onderste rand van deze streep.
    26.8 Spinnaker val. Loopt over een lagerpunt dat zich op niet meer dan 39 (1½") in enige richting van de onderkant van streep No. 2 bevind.
    26.9 De hoogte van het midden van de zalingen, tegen de mast, is 2521 +/- 51 (8’3¼" +/- 2") boven de bovenrand van het mastbout gat.
    27

    Giek

    27.1 Materiaal. Metaal of hout.
    27.2 Ontwerp van metalen of houten gieken. In overeenstemming met de officiële tekeningen, uitgezonderd dat de giekwand voor de zeillimiet streep gaten mag hebben met een maximale gezamenlijke oppervlakte van 1290 mm2 (2 inch2) en achter de zeillimiet streep mag wat materiaal weggenomen worden voor een schijf ten behoeve van de onderlijk strekker.
    27.3 Zeillimiet streep No. 4. Van contrasterende kleur niet minder dan 7 (¼") breed. Moet zijn aangebracht op de giek met de binnenste rand op niet meer dan 3023 (9’11") vanaf de achterkant van de mastgroef als ze door middel van het lummelbeslag op zijn plaats zit.
    27.4 Lengte over alles inclusief beslag. 3175 +/- 26 (10’5" +/- 1").
    27.5 Geen beslag, apparaten of materialen mogen worden gemonteerd aan de giek die als doel of effect hebben de stijfheid van de giek of een deel van de giek te vergroten.
    28

    Spinnaker boom, Asymmetrische boom en fokkenloet

    28.1

    Materiaal: Metaal of hout.

    28.2

    Spinnaker boom en fokkenloet: Lengte over alles; niet meer dan 1982 mm (6’6").

    28.3 Asymmetrische boom (alleen Wayfarer World)
    Lengte over alles. Niet meer dan 1685 (5’ 6.5/16).
    28.4 Asymmetrische boom, diameter 50 mm, kaliber 16, Legering kwaliteit 6082 T6.
    29

    Tuigage

    29.1 Staand want. Bestaat uit voorstag en twee zijstagen. De zijstagen zijn met de mast verbonden door twee zalingen die niet mogen zijn voorzien van apparatuur die het mogelijk maakt hun hoek of effectieve lengte tijdens het zeilen te verstellen. de voorstag moet tijdens het zeilen onder alle omstandigheden in staat zijn de mast te ondersteunen.
    29.2 Effectieve lengte van het staand want. Wijziging is niet toegestaan na het voorbereidingssignaal van een wedstrijd, met uitzondering van breuk of defect in enig deel van het staande want.
    29.3 Fok positie van de halshoek. De doorgetrokken lijn van het voorlijk van de fok moet het voordek raken op een plaats niet meer dan 13 (½") van de middellijn en niet meer dan 89 (3½") vanaf het uiterste voorste deel van de romp, inclusief beslag en steven beschermstrip zoals beschreven in regel 11.4 en 16.1(a).
    29.4 Grootschoot. Het grootschoot mag niet op een midden bok of rail gevoerd worden. Het mag niet meer dan één halend part (of een vergelijkbare arbeidsvermindering) hebben tussen de giek en de romp op enige positie vóór de spiegel.
    29.5 Neerhouder. Mag niet worden bevestigd aan de giek op een positie minder dan 2109 (6’11") vanaf de binnenrand van streep No. 4. (Regel 27.3)

    30

    Zeilen

    Zeil constructie en markeringen

    30.1 Zeil materiaal. Enkel strengs geweven vezel doek. Het zeil zal vlak gevouwen kunnen worden in elke richting zonder dat de strengen beschadigen. Het materiaal moet als het gescheurd wordt uiteen te halen zijn in vezels zonder dat er sporen van een film zichtbaar zijn.
    30.2 Ongeweven transparante panelen. Een per zeil is toegestaan maar moet kleiner zijn dan een 800 x 350 (2’7½" x 1’1¾") rechthoek. Uitgezonderd een transparant venster dat is toegestaan in het grootzeil ter hoogte van de zalingen binnen een rechthoek van 550 x 300 (22"x 12") De lange zijde van dit tweede paneel moet vertikaal staan. Geen deel van een transparant paneel mag zich binnen een afstand van 153 (6") van een zeilrand bevinden.
    30.3 Kousen.
    1. Kousen, niet groter dan 45 (1¾") in elke richting moeten gemonteerd zijn in de top-, hals- en schoothoek zodanig dat hun midden zich op niet meer dan 51 (2") vanaf een van de zeilranden (inclusief lijkentouw) in de hoeken bevind.
    2. In een hoek waar meer dan een kous is aangebracht in de stof van het zeil in overeenstemming met regel 30.3(a), wordt alleen de buitenste kous gemeten.
    30.4 Zeilmakersmerken. Mogen uitsluitend nabij de halshoek worden aangebracht (of in geval van spinnakers, nabij het onderlijk) en mag niet groter zijn dan 6" x 6" (153 x 153 mm).
    30.5 Embleem. Moet getoond worden aan beide zeiden van het grootzeil. Moet overeenkomen met de officiële tekening (een gestileerde W, met zijn vleugel wijzend naar het achterlijk van het grootzeil). Op witte zeilen moet het klasse embleem rood zijn en op gekleurde zeilen een contrasterende kleur hebben.
    30.6 Zeilnummers op het grootzeil. Moeten aan beide zeiden getoond worden onder het klasse embleem. De nummers moeten een contrasterende kleur hebben ten opzichte van het zeil en niet kleiner zijn dan 300 (11¾") in hoogte, en 200 (7.7/8") in breedte (uitgezonderd het nummer 1) en 45 (1¾") in dikte.
    30.7 Zeilnummers op de spinnaker. Moeten aan de buitenkant van het zeil of aan beide zijden aangebracht zijn ongeveer op halve hoogte. De nummers moeten een contrasterende kleur ten opzichte van het zeil hebben en niet kleiner zijn dan 300 (11¾") in hoogte, en 200 (7.7/8") in breedte (uitgezonderd nummer 1) en 45 (1¾") in dikte.
    30.8 Andere merktekens. Zijn niet toegestaan binnen een afstand van 915 (3’0") van het embleem of de nummers zoals gespecificeerd in regel 30.5, 30.6 en 30.7.
    30.9 Verstevigingen in de hoeken. Verstevigingen in de hoeken met als doel het zeil stijver te maken zijn toegestaan in overeenstemming met de regels 31.6, 32.7 en 33.8. Andere verstevigingen zoals doorlopende hoek verstevigingen of anders moeten overeenkomen met de ISAF Meet instructies Sectie III.

    Zeil en afmetingen daarvan

    Alle zeil metingen in de regels 31, 32 en 33 vinden plaats met het zeil droog uitgeslagen op een vlakke ondergrond met voldoende spanning om eventuele rimpels onder het meetlint weg te halen. Zeil metingen waarbij de kousen betrokken zijn zullen worden uitgevoerd vanuit de middelpunten van de kousen.
    31

    Grootzeil

    31.1 Limieten op de rondhouten. Moeten als volgt zijn:
    1. Bij de halshoek. De geprojecteerde bovenkant van de giek mag niet onder de bovenrand van streep No. 1 uitkomen. [regel 16.6(a)].
    2. Bij de tophoek. Geen deel van het grootzeil mag boven de onderste rand van streep No. 3 uitsteken [regel 26.6(c)].
    3. Bij de schoothoek. Geen deel van het grootzeil mag voorbij de voorste rand van streep No. 4 komen [regel 27.3].
    31.2 Topplank breedte. Maximum 102 (4"), gemeten in een rechte hoek ten opzichte van het voorlijk.
    31.3 Achterlijk lengte. Maximum 6503 (21’4") gemeten tussen de middelpunten van de top- en schoothoek kousen.
    31.4 Breedte metingen. Worden uitgevoerd onder de volgende condities:
    1. Half voorlijk punt. Wordt bepaald door het zeil dubbel te vouwen zodanig dat de middelpunten van de tophoek kous over het middelpunt van de halshoek kous valt en de twee helften van het voorlijk over elkaar liggen. De vouw die zo ontstaat, geeft het half voorlijk punt aan waar een merkteken wordt aangebracht.
    2. Driekwart voorlijk punt. Wordt bepaald door het midden van de tophoek kous over het half voorlijk merkteken te plaatsen[31.4(a)]. De vouw geeft het driekwart voorlijk punt aan waar een merkteken wordt aangebracht.
    3. Half achterijk punt. Wordt bepaald door het zeil dubbel te vouwen zodanig dat de middelpunten van de tophoek kous over het middelpunt van de schoothoek kous valt. De vouw die zo ontstaat, geeft het half achterlijk punt aan waar een merkteken wordt aangebracht.
    4. Driekwart achterlijk punt. Wordt bepaald door het midden van de tophoek kous over het half achterlijk merkteken te plaatsen [31.4(c)]. De vouw geeft het driekwart achterlijk punt aan waar een merkteken wordt aangebracht.
    5. Breedte metingen. Gemeten wordt tussen de voorlijk en achterlijk merktekens, over de volle breedte van het zeil, inclusief lijkentouwen, eventuele holtes in de lijken worden overbrugd door rechte lijnen.
    6. Breedte op halve hoogte. 2007 (6’7") maximum.
    7. Breedte op driekwart hoogte. 1143 (3’9") maximum.
    31.5 Zeillatten. Toegestaan is:
    1. Niet meer dan vier.
    2. Moeten het achterlijk ongeveer in gelijke delen verdelen.
    3. Lente van de hoogste zeillat: 610 (2’0") maximum.
    4. Lente van de overige zeillatten: 762 (2’6") maximum.
    5. Breedte van de zeillatten: 51 (2") maximum.
    31.6 Versteviging van de hoeken. Moeten van geweven stof zijn. Moeten binnen een gebied vallen met een straal van 327 (1’0.7/8") gemeten vanaf het midden van de buitenste hoek kous.
    31.7 Zeiltop drijflichaam. Is als volgt toegestaan:
    1. Een lap mag aan één zijkant van het zeil genaaid worden om een te openen, zelflozende zak te vormen voor drijf materiaal. Deze zak moet binnen een gebied liggen met een straal van 915 (3’0") vanaf het midden van de tophoek kous.
    2. Niets mag in deze zak gestopt worden dat effectief het achterlijk verlengd.
    3. Er mag uitsluitend drijfmateriaal in deze zak gestopt worden.
    31.8 Grootzeilen met losse broek zijn niet toegestaan. Het grootzeil moet voorzien zijn van een lijkentouw in het onderlijk vanaf niet meer dan 305 (12") vanaf de schoothoek tot niet meer dan 76 (3") vanaf de halshoek. Een ronde leuver mag gemonteerd worden bij de halshoek. Het lijkentouw moet in de groef van de giek gevoerd zijn tijdens wedstrijden. De halshoek van het grootzeil moet vastgezet worden door een pen die door het halsbeslag van de giek en de halshoek kous van het zeil gestoken wordt.



    32
    32.1



    Fok

    Een fok is een driehoekig zeil. Een convex gesneden onderlijk is toegestaan maar niet het achterlijk. Het voorlijk mag niet om het voorstag zitten.

     

    32.2 Voorlijk lengte. Maximum 4115 (13’6") gemeten tussen de middelpunten van de top- en halshoek kousen.
    32.3 Onderlijk lengte. Maximum 2198 (7’2") gemeten tussen de middelpunten van de hals- en schoothoek kousen.
    32.4 Achterlijk lengte. Maximum 3963 (13’0") gemeten tussen de middelpunten van de top- en schoothoek kousen.
    32.5 Onderlijk diepte. Maximum 4064 (13’4") gemeten tussen het middelpunt van de tophoek kous en het midden van het onderlijk. Het midden van het onderlijk wordt bepaald door het zeil dubbel te vouwen zodat de middens van de hals- en schoothoek kousen over elkaar vallen.
    32.6 Zeillatten. Niet toegestaan.
    32.7 Verstevigingen van de hoeken. Moeten van geweven stof zijn. Mogen niet buiten een gebied vallen met een straal van 273 (10¾") vanaf de middelpunten van de kousen.
    33

    Spinnaker

    33.1 Vorm. Driehoekig en symmetrisch over een middellijn die het midden van de tophoek kous met het midden van het onderlijk verbind.
    33.2 Meet condities. Ten behoeve van 33.3, 33.4 en 33.5 wordt het zeil in het midden gevouwen over de verticale middellijn met beide helften overlappend.
    33.3 Lengte. Maximum 4725 (15’6") vanaf het midden van de tophoek kous naar elk deel van het onderlijk.
    33.4 Breedte meetpunten op de lijken en middenvouw. Elk punt wordt bepaald door meting in een rechte lijn 2172 (7’1½") vanaf het midden van de tophoek kous.
    33.5 Breedte metingen. Tussen de punten bepaald in regel 33.4. Maximum 1677 (5’6") Minimum 1575 (5’2").
    33.6 Top vorm. Op het ongevouwen zeil worden op de lijken meetpunten aangebracht op 130 (5.1/8") gemeten in een rechte lijn vanaf de tophoek kous. De maximum afstand tussen deze punten gemeten over het oppervlak van het zeil is 251 (9.7/8").
    33.7 Onderlijk. (Ongevouwen) de afstand tussen de middens van de schoothoek kousen is maximaal 3353 (11’0").
    33.8 Verstevigingen. Verstevigingen moeten van geweven stof zijn. De verstevigingen mogen niet uitsteken buiten een gebied dat beschreven wordt door een straal van 296 (11.5/8") vanaf de middens van de hoekkousen.
    33.9 Spinnaker binnenhaal flappen. Maximaal 2 per zeil, elke binnen een gebied van 300 x 300 (11¾" x 11¾").

    Sectie IV

    Algemeen

    34

    Drijfvermogen

    34.1 Drijfkasten. Moeten waterdicht geconstrueerd zijn.
    (Alleen Wayfarer World) Het drijfvermogen bestaat uit drie aparte luchtdichte compartimenten:
    1. Vloerconstructie;
    2. Voorste drijfcompartiment;
    3. De rest van de boot.
    34.2 Gaten of openingen in de drijfkasten. Zijn niet toegestaan met uitzondering van de openingen die zijn gespecificeerd in de regels 15.5 en 20.
    34.3 Compartimenten. Luik deksels moeten gezekerd in positie zijn en loos gaten dicht geplugd tijdens wedstrijden.
    34.4 Positief drijfvermogen door stukken gesloten cel plastic schuim. Moet als volgt op betrouwbare wijze zijn vastgezet binnen GRP en composiet rompen.(lift geeft het drijfvermogen aan wanneer ondergedompeld in zoet water):
    1. (Alleen Mark I en Mark IA) Een stuk dat ten minste 81,65 kg (180 lbs) lift in de voorste drijfkast veroorzaakt. Niet meer dan twee stukken die ten minste in 40,82 kg (90 lbs) lift in het achterste compartiment veroorzaakt.
    2. [Mark II (uitgezonderd de SD versie)]. Een stuk dat ten minste 40,82 kg (90 lbs) lift in de voorste drijfkast veroorzaakt. Stukken die een totale lift van ten minste 40,82 kg (90 lbs) veroorzaken onder elk zijdek, achter de wantputtings.
    3. Alternatief voor Mark IA en Mark II (met uitzondering van de SD versies). Een stuk dat een totale lift van tenminste 40,82 kg (90 lbs) veroorzaakt in het voorste compartiment. Stukken die ten minste 13,6 kg (30 lbs) veroorzaken onder elk zijdek en twee stukken die een totale lift van ten minste 54,42 kg (120 lbs) veroorzaken in het achter compartiment.
    4. (Alleen Mark II SD en Mark III) Niet meer dan twee stukken die ten minste 68,04 kg (150 lbs) lift in het voorste drijfgebied veroorzaken. Niet meer dan twee stukken die ten minste 54,42 kg (120 lbs) lift in het achter compartiment veroorzaken.
    5. (+S). Niet meer dan twee stukken die ten minste 22,7 kg (50 lbs) lift in het voorste drijf compartiment veroorzaken. Niet meer dan twee stukken die ten minste 22,7 kg (50 lbs) lift in het achter compartiment veroorzaken.
    6. (Wayfarer World). Twee (2) no. 20 liter plastic cubitainers in het voorste compartiment en acht (8) no. 5 liter cubitainers aan elke kant van de zwaardkast onder de kuipvloer.
    34.5 Drijftest. Moet worden uitgevoerd volgens de regels 34.7 of 34.8.
    34.6 Extra drijf materiaal boven dat gespecificeerd in regels 34.1 en 34.2 is toegestaan maar moet verwijderd worden tijdens de alternatieve drijftest van regel 34.8.
    34.7 Droge drijftest. (Alternatief voor 34.8). Wordt als volgt uitgevoerd:
    1. Alle luiken worden op de normale manier gesloten met uitsluitend de boots eigen luiken en luik beslag.
    2. Loosgaten van de drijfkasten worden gesloten met hun normale stoppen, met uitzondering van een stop waar de slang van een druk/vacuum bron en pijlglas op wordt aangesloten;
    3. Apparatuur waarmee een drukverschil tussen het drijf compartiment en de omgevende atmosfeer kan worden gecreëerd, en inclusief een U-vormig water peilglas, wordt aangesloten op het compartiment.
    4. Over- of onderdruk wordt op het compartiment gezet, genoeg om een verschil van ten minste 127 (5â€) te veroorzaken in het peilglas.
    5. Nadat het compartiment is ontkoppeld van de vacuüm of druk bron, mag het druk verschil zoals gespecificeerd in 34.7(d) niet veranderen van 127 (5") naar 51 (2") in minder dan 30 seconden.
    34.8 Natte drijftest. (Met uitzondering van SD versies en Wayfarer World. Alternatief voor 34.7). De test wordt als volgt uitgevoerd.
    1. Drijf compartimenten, verbindingen, luik pakkingen en luik beslag. Worden gecontroleerd door de tester op hun staat.
    2. De luiken worden op de normale manier gesloten met de boots eigen luiken en luik beslag.
    3. Loosgaten worden op de normale manier gesloten met hun normale stoppen.
    4. Extra drijfvermogen zoals beschreven in regel 34.6 wordt verwijderd.
    5. De boot wordt gekrengd zodat ze gaat drijven op haar zijkant met de masttop op het water. Een belasting van ten minste 113,4 kg (250 lbs) wordt op de romp geplaatst (het gewicht van twee personen kan deze belasting gemakkelijk vervangen). Na vijf minuten in deze positie met het zijdek onderwater, wordt de test herhaald voor nog eens vijf minuten maar nu met het andere zijdek onder water.
    6. De boot wordt dan rechtop gezet, vol met water, met het water niveau juist boven de bovenkant van de zwaardkast meteen na de test in 34.8(e). Ze zal ten minste 10 minuten in deze positie worden gehouden, waarna ze leeg gemaakt wordt.
    7. De drijf compartimenten worden daarna geïnspecteerd op significante lekkage, direct na beëindiging van 34.8(f).
      Er mag zich niet meer dan 6,8 liter (1½ gallons) water in het achterste drijfcompartiment bevinden.
      De totale hoeveelheid water in alle compartimenten waaruit het voorste drijfcompartiment is samengesteld mag niet meer zijn dan 6,8 liter (1½ gallons).
    35

    Speciale verboden

    35.1 Ballast. Zowel vast aan de boot als gedragen door de bemanning. Niet toegestaan.
    35.2 Een trapeze of enig ander apparaat of constructie die buiten de romp, rondhouten of wanten uitsteekt en bedoeld is of waarvan het effect is, of zou kunnen zijn, een bemanningslid geheel of gedeeltelijk buitenboord te ondersteunen. Niet toegestaan.
    35.3 Elektrische instrumenten of mechanismen. Geen enkel elektrisch of elektronisch apparaat of instrument is toegestaan met uitzondering van horloges, kompassen en de apparatuur bestemt voor het opnemen van geluid of beelden, tenzij toegestaan of vereist door de zeilinstructies.
    35.4 Spinnaker chute. Toegestaan zoals aangegeven in het officiële bestek en tekeningen.
    35.5 Tijdens wedstrijden, mag er niet meer dan een spinnaker aan boord zijn.
    35.6 Apparaten om de positie van de mast op dek niveau te wijzigen, mogen niet hoger zijn dan 75 mm (3"), gemeten vanaf de dek lijn.
    36

    Klasse nummer

    36.1 Nummers moeten permanent zichtbaar zijn op de officiële licentie plaat die bevestigd is op de voorkant van het achterste schot of op de zwaardkast direct achter de doft. De hoogte van de cijfers is minimaal 3 (1/8"). Op houten boten worden de nummers ook gegutst in de voorkant van het zichtbare deel van de spiegel. De hoogte van de cijfers is dan minimaal 26 (1").
    37

    Bemanning

    37.1 De boot moet gevaren worden door niet minder dan twee personen met uitzondering van z.g. ‘single hand’ evenementen.
    38

    Klasse signaal

    38.1 Een vlag met het klasse embleem wordt aanbevolen. Niet verplicht.

     

    Geldig vanaf april 2005

     

     

    Appendix: Dispensaties geregistreerd door het WIC

    De UKWA heeft sinds 31 Januarie 2001 dispensatie verleend aan asymmetrisch getuigde Wayfarer World’s om te starten in wedstrijden met andere, spinnaker boten mits ze een traditionele tuigage gebruikt.

    Sinds 31 januari 2002 heeft de CWA regel 35.5 veranderd in: “Tijdens een wedstrijd mag niet meer dan een spinakker gebruikt wordenâ€. Deze regel is van toepassing op alle boten die deelnemen aan evenementen in Canada.

    De SWS heeft sinds 1978 een algemene dispensatie verleend op regel 22.2(e); Alle zijbanken mogen verwijderd worden in boten tijdens de deelname aan Scandinavische evenementen.

    W.I.C. goedgekeurde interpretatie van de klassenregels

    UKWA 2004: “Als gevolg van de regels 5.10 en 5.12, is het de verantwoordelijkheid van de booteigenaar die een grote reparatie of renovatie ondergaat, aan te tonen dat de originele rompvorm behouden is gebleven en dat de gebruikte materialen in alle redelijkheid en praktische uitvoerbaarheid, zo goed als mogelijk voldoen aan de originele specificaties.â€

    De bewijsvoering door de eigenaar kan significant ondersteund worden door bijvoorbeeld, de boot, voor zover dat mogelijk is, vóór de reparatie of renovatie te meten. Als de boot ooit eerder gemeten is dan kunnen de van belang zijnde maten gecontroleerd worden. De maten kunnen dan na de renovatie weer gecontroleerd worden. Door een klassencontroleur in het proces te betrekken vindt een onafhankelijke controle plaats. Het is dan belangrijk dat de klassencontroleur de boot kan inspecteren vóór dat de renovatie begint. Fotografisch bewijs over hoe het werk is uitgevoerd kan de bewijsvoering verder ondersteunen.

    Â